Start
Over ons
Hoe het begon
Onze honden
Gefokte nestjes
Rasstandaard
Verzorging
Jachttraining
Clubmatches
Foto's
Links
Gastenboek

Verzorging

Onder het kopje verzorging valt alles wat met het uiterlijk en innerlijk en het gedrag van de hond te maken heeft. Van vachtverzorging tot parasieten en van voeding tot opvoeding.

Vachtverzorging Gebitsverzorging Voeding 
Teken Vlooien Wormen
Opvoeding Castratie/Sterilisatie







Vachtverzorging

Stabij Wetterhoun
 

Stabij

De stabij heeft half lang sluik haar dat weinig verzorging nodig heeft. Eens per week een borstelbeurt is toereikend om de vacht in optimale conditie te houden. Hiervoor gebruik ik de slickerborstel waarmee ik de vacht met de haarrichting mee borstel. Daarna kam ik de vacht met een half grove kam door om te controleren of er nog klitten in zitten. In de verhaar periode, die doorgaans twee keer per jaar voorkomt, was ik de honden met water dat aan de warme kant is maar uiteraard niet té warm is. De haren laten dan eerder los en zo ben je eerder door de verharing heen. Ik gebruik in die periode in plaats van de slickerborstel de furminator dat de los zittende haren er gemakkelijk uit haalt. Ook tijdens het verharen kun je de vacht beter niet vaker borstelen dan één keer per week. Een theelepel Velcote of zalmolie door de voeding helpt de vacht te herstellen na het verharen en ook als de hond een droge, schilferige vacht heeft.

De oren pluk ik voorzichtig in model zodat er geen lange slierten aan zitten. Uiteraard moet het haar wel plukrijp zijn. Dit kun je zien doordat het haar dan bruin kleurt omdat er geen voeding meer in de haar komt. De voetzooltjes worden aan een grondige check onderworpen en de haren tussen de zooltjes knip ik met een afgestompt schaartje voorzichtig weg.

Daarna controleer ik de oren op viezigheid en zonodig maak ik die schoon met een stukje keukenrol of als er veel oorsmeer in zit, met oorreiniger van Jean Peau. Eventueel knip ik de nagels bij Jessie. Bij Imre en Floran hoeft dat nooit maar die van Jessie zijn altijd erg lang. (als de poot op de grond staat moet je een envelop onder de nagel kunnen schuiven)

Als de hond helemaal gekamd is wordt de vacht ingesprayd met verzorgingslotion van Jean Peau. De lotion is aangelengd met kristal olie van Jean Peau en dat zorgt ervoor dat de vacht prachtig glanst. Het ruikt heel aangenaam en de geur blijft lang hangen.
Bij Jessie gebruik ik alleen de kristal olie. Ze glimt dan weer als een spiegeltje en het geeft een diepe kleur aan de vacht.
 
Onze logee Fenna is er aan gewend om gekapt te worden.  
De zwarte kleur wordt verdiept dankzij de lotion Vooral bij Jessie komt dat goed tot uiting.


Alle drie zitten ze weer prachtig in het pak.
In principe worden ze wekelijks geborsteld maar het wil wel eens een keertje voorkomen dat het twee wekelijks gebeurt.

 

Wetterhoun

De vacht van een wetterhoun bestaat uit een dik pak krullen die wat vettig aanvoelen. De vacht reinigt zichzelf en verhaart twee keer per jaar. De vacht wordt af en toe met een grove hark of kam doorgekamd. Met name achter en onder de oren moet regelmatig gekamd worden anders krijg je daar vieze klitten. Smerige, natte poten kunt u het gemakkelijkst schoon maken met de Pettowel. Alleen in uitzonderlijke gevallen mag de Wetterhoun gewassen worden als hij bijvoorbeeld ergens in heeft gerold. Gebruik hiervoor een goede hondenshampoo, bijvoorbeeld van Jean Peau,  die er voor zorgt dat de vacht vettig blijft. Na het kammen doe ik enkele neveltjes Miracle Coat van Jean Peau over de vacht sprayen waarna ik het met mijn handen in masseer. De haren worden er mooi vettig van en vallen goed in de krul. De haren in de oren worden er voorzichtig uitgeplukt en de oorschelp hou ik schoon met een stukje keukenrol en soms met oorverzorger als er teveel oorsmeer in zit. Verder komt er geen trimsalon aan te pas.

Wetterhounen kunnen soms een zeer slechte vachtconditie hebben waarbij er zelfs kale plekken te zien zijn. De K1 tabletten van Jean Peau bevatten oliën die er voor zorgen dat het haar beter en steviger wordt en het bevordert de haargroei. Al bij menig Wetterhoun zijn de K1 tabletten een uitkomst gebleken.


Terug naar boven

 


Gebitsverzorging

Maar liefst 90% van de hondeneigenaren is zich bewust van het feit dat 80% van de honden vanaf drie jaar last krijgt van tandvleesproblemen. Toch staat gebitsverzorging bij de meeste hondeneigenaren onder aan het lijstje als het gaat om verzorging van de hond. De meeste mensen vinden het bij een pup niet nodig om tanden te poetsen en komen pas in actie als het te laat is. Symptomen die je dan kunt tegenkomen zijn:
õ Stank uit de bek
õ  Abnormaal speekselen, bloed, slijm, etter
õ  Gevoelig aan de kop of bek
õ Over de grond schuren met de kop of met de poot over de kop vegen
õ Afwijkend gedrag bij het eten en het drinken
õ Soms uitwendig waarneembaar:
      - neusuitvloeiing
      - fistels
      - diktes rond de bek en op de neus

 

 

Doorsnede van een tand.
De tand zit voor het grootste gedeelte stevig verankert in de kaak. De buitenzijde wordt gevormd door het glazuur, wat bij de hond een veel dunner laagje is dan bij de mens en door dentine. Het zichtbare deel van de tand wordt de kroon genoemd. Bij de overgang van zichtbaar gedeelte naar het gedeelte in de kaak heet het de hals. Dit gedeelte wordt omgeven door het tandvlees en het onzichtbare grootste gedeelte heet de wortel.
In de tand bevindt zich de pulpaholte waarin bloedvaten, lymphevaten en zenuwen lopen. Daar waar de tand het tandvlees raakt noemen we de pocket. Deze pocket moet mooi aansluiten aan de tand. Daar mag slechts een paar millimeter speling tussen zitten.
Het gebit van een pup bestaat uit 20 elementen en de formule is:

313
313

Deze formule geldt voor de helft van het gebit. De andere helft is uiteraard precies eender. Men schrijft altijd de rechter zijde van het gebit en je leest dan dus 3 snijtanden (incisivi) 1 hoektand (canini) en 3 kiezen (Praemolaren) Praemolaren wil zeggen dat het geen blijvende kiezen zijn. Deze worden Molaren genoemd. Hoewel het eerste kiesje achter de hoektand een Praemolaar is wisselt hij niet. We noemen dit een persisterende kies. De tandformule rekent dit kiesje niet mee omdat het kiesje pas laat verschijnt.
 

 

Bij de volwassen hond is de tandformule, wederom voor de rechterhelft van het gebit:

I    C    P    M
3    1    4    2         De kiezen worden aangeduid met P1, P2, M1 enz.
3    1    4    3

Indien er een nieuwe tand doorkomt naast de melktand en deze niet uitvalt dan moet de melktand door de dierenarts verwijderd worden. Er mogen nooit twee tanden op één plaats zitten omdat het de stand van het gebit negatief beïnvloed.

Tanden en kiezen hebben één of meerdere wortels. Bij de hond is het heel lastig om een kies te trekken. Het moet onder algehele narcose wat op zich al een risico met zich mee brengt. De kies wordt eerst in stukken geboord en in gedeeltes uit de bek getrokken. De hoektanden worden in principe altijd gespaard omdat zij er voor zorgen dat de tong in de bek blijft.
Indien een tand breekt kan deze vaak gerepareerd worden. Het is in ieder geval raadzaam om naar de dierenarts te gaan wanneer de tand bloedt. Ook uitgevallen tanden kunnen soms teruggeplaatst en weer vastgezet worden. Spoel de tand niet af met water maar bewaar hem in een beetje melk!
 

 

 Tandplaque

Doordat er in de pocket allerlei levende en dode bacteriën, calcium en fosfor uit het speeksel en voedselresten blijven steken ontstaat tandplaque daar als eerste. Aangezien bij de hond de speekselklieren zich achter in de bek bevinden vind je de meeste aanslag als eerste op de kiezen.
In dit stadium kan het gebit nog goed gereinigd worden, eventueel in combinatie met antibiotica om de tandvleesontsteking op te lossen.

Tandsteen
 

Het tandplaque wordt tandsteen wanneer er door het speeksel verkalking optreedt. Wederom zijn de kiezen achter in de bek het eerst aan de beurt. Door tandsteen gaat het tandvlees verder wijken en langzamerhand komt de kies bloot te liggen. Dit kan zeer desastreuze gevolgen hebben want eigenlijk is het een open wond in een gebied met veel bacteriën. Via deze open wond kunnen bacteriën gemakkelijk in de bloedbaan terecht komen en uitzaaien naar de longen, de lever, de nieren en het hart.

 

Bruin verkalkt tandsteen met rood ontstoken tandvlees dat duidelijk al teruggetrokken is.

Een verregaande verwaarlozing: het gebit is bedekt met tandsteen, het tandvlees is ernstig ontstoken.

Een schoon gemaakt gebit. De wortels zijn zichtbaar. Het tandvlees en zelfs het kaakbot zijn ver teruggetrokken. Dit komt nooit meer goed!

 

Om deze problemen te voorkomen hoeft u alleen maar regelmatig de tanden van de hond te poetsen. Hiervoor gebruikt u een speciale hondentandpasta omdat daar geen fluoride in zit. Bovendien vinden honden onze tandpasta niet zo lekker fris als wij vinden en prefereren zij een lekker kipsmaakje boven de mentholsmaak die humane tandpasta's bevat. Met een speciale, lange, iets gebogen tandenborstel of een vingerborstel is het gebit gemakkelijk te poetsen.
Na de poetsbeurt kunt u een beetje dental enzyspray van Jean Peau in de bek sprayen. Dit voorkomt mineralisatie van plaque door natrium-tripolyfosfaten die het calcium aan zich binden. Daarnaast kunt u uw hond dagelijks een cerea staafje, krokodil of tandenborsteltje of een dentastix geven. Ook dit materiaal beïnvloedt de mondflora door zink-sulfaat, eucalyptus en polyfenolen die de zwavelverbindingen binden zodat de hond geen slechte adem krijgt. Uiteraard kunt u ook geregeld lekker kauwbotje geven zodat door het schrapen langs de tanden deze mooi en schoon blijven.

Het gebit van Jessie ziet er nog prachtig uit.
Op deze foto is zij ruim 6 jaar oud en heeft ze nog hagelwitte tanden en kiezen.
De ene hond heeft sneller last van tandplaque dan de ander en je zult dan dus vaker moeten poetsen. Jessie en Floran hebben er beiden minder snel last van dan Imre. Bij hen poets ik één keer per week de tanden. Imre krijgt het zelfde voer maar bij haar ontstaat eerder plaque. Haar gebit wordt minimaal twee keer per week gepoetst.

Terug naar boven
 

Voeding

Een hond is een prooidiereter. Dat wetend is het dus niet erg logisch om hem met brokken te voeren omdat in de meeste brokken vooral granen verwerkt zijn en maar een klein gedeelte vlees. Goedkoop hondenvoer bevat doorgaans veel meer graan dan de duurdere merken. Eiwit van dierlijke oorsprong is veel duurder dan eiwit van plantaardige oorsprong dus ook dat bepaalt de prijs van het voer. Bij de nutriëntenlijst staat hetgeen er het meest in zit het eerst vermeld. Als dus granen als eerst vermeld staan dan zit er dus meer granen dan vlees in het voer. Dat laatste hoeft niet zo te zijn want sommige merken zijn zo slim om alle ingrediënten apart te benoemen. Hierdoor worden de percentages kleiner. De taart wordt zeg maar in 25 stukken gesneden. Andere merken clusteren de ingrediënten en noemen sorgum, mais, maismeel enz. 'granen' waardoor de taart maar in 4 stukjes wordt verdeeld en granen dus als eerste genoemd moeten worden.
Op de verpakking van het voer hoeft de fabrikant helaas niet te vermelden wat er precies in de brok verwerkt zit. Het enige wat hij moet benoemen is de zogenaamde Weender analyse waarin de percentages ruw eiwit, ruw vet, as, ruwe celstof, calcium, phosphor en nog een aantal kleine sporenelementen en vitamines staan. De koolhydraten staan hierin meestal niet vermeld maar dien je zelf uit te rekenen. Door alle percentages bij elkaar op te tellen en dit getal af te trekken van 100 (%) heb je het gehalte aan koolhydraten.

Eiwit, vet en koolhydraten zijn de enige energieleverende nutriënten in de voeding. Om voeders met elkaar te kunnen vergelijken moet uitgegaan worden van de hoeveelheid droge stof (DS) immers, in blikvoer of diner zit veel meer vocht dan in brokken. Maar ook in brokken kan het percentage vocht verschillen per merk.

Voorbeeld:
Op een verpakking staat de volgende analyse:
Ruw eiwit      33%
Ruw vet        20%
Ruwe as        5.7 %
Ruwe celstof  1.8%
Calcium         1%
Phosphor       0.8%
Vocht           9%
                 _______
                   71.3%
Koolhydraten 28.7%
                 _______
                   100%

Deze analyse betreft de hele brok. Allereerst moet het vocht eruit gehaald worden zodat we alleen op basis van droge stof verder rekenen.

Het vocht gehalte in deze brok is 9%. Dat wil zeggen dat er 91% DS in dit voer zit. De percentages worden dan
Eiwit: 33:91X100% = 36.26% Vet: 20:91X100% = 21.98% Koolhydraten: 28.7:91X100% = 31.54%
Er kan gerekend worden in calorieën of in joule. In Nederland wordt het meest in calorieën gerekend maar voor hen die liever in joules rekenen: 1 Kilojoule = 0.24 Kcal.
Een gram eiwit levert 4 kcal (of 17 KJ)
Een gram vet levert 9 kcal (of 37 KJ)
Een gram koolhydraten levert 4 kcal. (of 17 KJ)
We kunnen nu het energiegehalte oftewel het aantal calorieën uitrekenen die in dit voer zitten op basis van de DS.

Eiwit 36.26 % X 4 kcal        = 145.04
Vet 21.98 % X 9 kcal         = 197.82
Koolhydraten31.54 % X 4    = 126.16
                                         ______
                                         469.02 kcal / 100 gram voer is dus 4690 kcal / 1000 gram

We kunnen nu ook uitrekenen hoeveel het aandeel eiwit, vet en koolhydraten is van dit voer op basis van de DS, de zogenaamde fractie.

Het aandeel eiwit is 145.04 kcal van 469.02 kcal = 145.04:469.02X100% = 30.92%
Het aandeel vet is 197.82 kcal van 469.02 kcal = 197.82:469.02X100% = 42.18%
Het aandeel koolhydraten is 126.16 kcal van 469.02 kcal = 126.16:469.02X100% = 26.9%

Uit bovenstaande berekening blijkt dat de percentages die op de zak vermeld staan niet corresponderen met het aandeel wat de hond werkelijk aan eiwit, vet en koolhydraten binnen krijgt.
Alleen op deze manier is het mogelijk om de diverse soorten voeders met elkaar te vergelijken!

Nu we weten hoeveel calorieën er in een voer zitten kunnen we ook uitrekenen hoeveel de hond zou moeten eten van dat voer. Hiervoor moeten we terug naar de basis en komen bij het begrip basaalmetabolisme. Hieronder wordt verstaan de stofwisseling bij volkomen rust, in nuchtere toestand bij een goede warme lichaamstemperatuur in een warme omgeving. Het basaalmetabolisme is van een aantal factoren afhankelijk, maar wordt vooral bepaald door verlies van warmte vanaf het lichaamsoppervlak. Hoe groter het lichaamsoppervlak, hoe grote het warmteverlies en dus ook het basaalmetabolisme.
Naarmate het lichaamsgewicht toeneemt, neemt de relatieve lichaamsoppervlak af.
Anders gesteld: een muis heeft verhoudingsgewijs een groter lichaamsoppervlak per kilo lichaamsgewicht dan een olifant.
Aangezien het behoorlijk lastig is om het lichaamsoppervlak te bepalen heeft Brody bedacht dat het handiger is te werken met metabolisch gewicht. Het metabolisch gewicht is het gewicht van de hond tot de macht 0.73. Voor een stabij van 20 kilo komt dit neer op 9.46 kilo metabolisch gewicht (MG). Een hond heeft 70.5 kcal per metabolische kilogram gewicht nodig als basis. Voor een stabij van 20 kilo is dat dus 9.46 MG X 70.5 kcal = 666 kcal per dag. Per kilo lichaamsgewicht komt dit dus neer op een caloriebehoefte van 33.3. Hij moet dan niets hoeven doen en leven in een warme omgeving. Voor onderhoud heeft hij 1.5 - 2 X basaalmetobolisme nodig wat dus neerkomt op een calorie behoefte van 999 - 1332 kcal voor een hond van 20 kilo.
Met deze berekening is het eenvoudig uit te rekenen hoeveel de hond moet eten van het voer uit het voorbeeld met 4690 kcal op basis van de DS.
De behoefte is 1332 kcal, het voer biedt 4690 kcal per 1000 gram op basis van de DS. De berekening wordt dus 4690:1332 = 352 gram per dag.
In dit voorbeeld hebben we eerst de DS berekend. Normaal gesproken wordt de calorische waarde berekend van de percentages zoals die op de zak staan. Je krijgt dan:

Ruw eiwit 33 X 4 kcal         = 132
Ruw vet 20 X 9 kcal           = 180
Koolhydraten 28.7 X 4 kcal  = 114.8
                                        _____
                                        426.8 kcal per 100 gram voer = 4260 kcal per 1000 gram voer.

De behoefte wordt dus 4260:1332 = 320 gram voer per dag voor een volwassen hond die regelmatig beweging krijgt.
Als de hond voortdurende prestatie moet leveren heeft hij tot soms wel 8X het basaalmetabolisme nodig. (is dus 8X70.5XMG) Hetzelfde geldt voor drachtige en zogende teven. Ook zij hebben gedurende de dracht en zoogtijd een hogere basaalmetabolisme en natuurlijk geldt dit ook voor jonge honden in de groei. Tot de helft van het volwassen gewicht hebben zij 4X basaalmetabolisme nodig.

Bovenstaand overzicht vertelt nog helemaal niets over de kwaliteit van het voer. Die wordt bepaald door de kwaliteit van de verschillende nutriënten.
Het lichaam is opgebouwd uit eiwitten, vetten en water. Je bent wat je eet en je eet wat je bent!
Elk dier heeft zijn eigen lichaamseigen eiwitten. Eiwit is opgebouwd uit aminozuren die opneembaar zijn door de darmwand en zo in de bloedbaan komen. Je kunt je eiwit het eenvoudigst voorstellen als een snoer van allemaal verschillende kralen. De hoeveelheid en de volgorde van de kralen aan het snoer bepalen de eigenschappen van het eiwit. In de diervoeding kennen we 2 bronnen van eiwitten: dierlijke en plantaardige. Eiwit is een bouwstof maar kan ook als brandstof gebruikt worden. Door het verteren valt het opgenomen eiwit uiteen in aminozuren. Op die manier kan het de darmwand passeren. De hond kan van die verschillende aminozuren lichaamseigen eiwit vormen wat hij kan gebruiken voor de aanmaak van nieuwe cellen. Er zijn in totaal 20 aminozuren. Voor de hond zijn er daarvan een aantal essentieel omdat het hondenlichaam die niet zelf kan aanmaken en dus via het voedsel aangeboden moeten worden. Als de hond eiwit krijgt wat precies overeenkomt met zijn lichaamseigen eiwit kan hij dat volledig gebruiken. We spreken dan van eiwit met een hoge biologische waarde (BW). Kippenei heeft een biologische waarde van 100. Dat betekent dat het totaal opgenomen wordt in het lichaam.
Vis heeft een lagere BW dan kip maar is wel weer heel rijk aan omega 3 en omega 6 vetzuren die belangrijk zijn voor de huid en vacht. Varkensvlees heeft een veel lagere biologische waarde en dat maakt dat het hondenlichaam dat eiwit helemaal moet omzetten tot lichaamseigen eiwit waarbij er altijd wat aminozuren zijn die hij niet gebruiken kan en die dus afgevoerd moeten worden via de nieren. Granen hebben een nog veel lagere biologische waarde. Zij zijn voor de hond nauwelijks verteerbaar. Om ze toch enigszins bruikbaar te maken in het voer worden ze vooraf verhit of vermalen waardoor de celwand stuk gaat zodat het toch nog opgenomen kan worden door de hond. Eiwit is erg belangrijk voor het lichaam. Een tekort is eigenlijk een bedreigende situatie. Vooral in de groeiperiode kan een tekort voor onherstelbare weefselschade zorgen die later in het leven voor problemen kan zorgen. Een tekort aan eiwit uit zich in een slechte algemene conditie, ondermijnt de weerstand en zal in de groei tot groeivertraging leiden. Een overschot aan eiwit zal niet gauw voorkomen tenzij de hond voornamelijk gevoerd wordt met het betere vlees zoals hart en kopvlees. Deze voeding bevat ca. 56% eiwit en dit hoge percentage is gevaarlijk voor een hond. Het is een fabeltje dat eiwitten zouden bijdragen aan groeistoornissen. Eiwitten zorgen ook niet voor een grotere hond. Het omgekeerde is wel waar: bij een tekort aan eiwit in de jeugd haalt een hond niet de grootte die in het genetisch bouwplan van de hond. Het is ook een fabel dat eiwit schadelijk zou zijn voor de nieren. (dit is wel het geval bij de rat)

De vertering van het eiwit:
Eiwitvertering begint bij de hond in de maag. Daar zorgt de pepsine die door de alvleesklier of pancreas in de maag gestort wordt voor het begin van de eiwitvertering. Diezelfde alvleesklier heeft ook een afvoerbuis in de 12 vingerige darm waar het chymotrysinogeen en trypsinogeen in uitstort. Deze twee stoffen worden onder invloed van het enzym entrokinase dat zich in de darmwand bevindt omgezet tot het voor de hond bruikbare chymotripsine en trypsine. De alvleesklier zorgt ook voor de aanmaak van protease: een enzym dat in de 12 vingerige darm gestort wordt en het verteringsproces versnelt.

Vetten zijn opgebouwd uit vetzuren. Er zijn verschillende vetzuren. De variatie zit in de lengte van de keten, n.l. het aantal koolstofatomen en de mate van verzadiging of onverzadiging, n.l. het aantal dubbele bindingen. Vet kun je je voorstellen als een kammetje met aan de bovenzijde koolstofatomen (C) met aan de tanden vetzuren (VZ) die middels zuurstof (O) en waterstof (H) aan elkaar gehouden worden.
Hoe langer de ketens à des te harder het vet à hoe meer verzadigd.
Hoe korter de ketens à des te zachter het vet à hoe meer onverzadigde verbindingen.
Hoe beter het vet, hoe hoger de BW van het vet, hoe beter de hond het kan opnemen. Ook hier is kippenvet weer het beste met de hoogste BW. Varkensreuzel wordt ook veel gebruikt omdat dat vet ook een hoge BW heeft. Daarnaast wordt er ook wel visolie gebruikt. Deze drie vetten bevatten allemaal het essentiële vetzuur linolzuur wat het hondenlichaam niet zelf kan aanmaken. Visolie is daarnaast ook rijk aan omega 3 en 6 vetzuren die onder meer een gunstige invloed hebben op de huid en vacht.
Vet is belangrijk voor het transport van de vetoplosbare vitaminen A,D,E en K. Daarnaast is vet een bouwsteen voor hormonen, het dient als isolatie, voor energiereserve, als steunvet rond het hart en de nieren. Belangrijk is ook dat het voor de hond vooral smakelijk is. Vet is erg aan bederf onderhevig en het is daarom dat fabrikanten anti-oxydanten in het voer verwerken in de vorm van ButolHydroxyAnisol BHA (E320) ButolHydroxyTolueen BHT (E321) of etoxyquin (E324) Van BHA is bekend dat het bij ratten kanker kan verwekken maar dan moeten die ratten BHA wel in een concentratie van 2 procent in het voer krijgen. De gegevens van BHT v.w.b carcinogeniteit zijn tegenstrijdig. De overheid haalt beide stoffen over 1 kam en heeft bepaald dat er in een voedingsmiddel niet meer dan 0,2 procent aanwezig mag zijn. In diervoeders mag daarnaast ook het Ethoxyquine worden verwerkt (E324) In humane voeders niet omdat het na gebruik van vele jaren kankerverwekkend zou zijn. Aangezien honden niet zo oud worden is het voor hen in principe niet schadelijk.
Natuurlijke anti-oxydanten zijn Vitamine E: Tocoferolen (E306-E309) en Vitamine C: ascorbinezuur (E300) Anti-oxydanten gaan het ranzig worden van het vet tegen door de vrije radicalen weg te vangen. Als er veel vrije radicalen in het vet zitten is het ranzig. Vrije radicalen tasten de celmembranen van de cellen aan waardoor er allerlei aandoeningen ontstaan.

De vertering van het vet:
Bij de hond begint de vetvertering pas goed in de 12 vingerige darm. In de maag wordt het vet al wel een beetje voor verteerd d.m.v de maagsappen die het vet al een beetje emulgeren.
De alvleesklier stort het enzym lipase uit in de 12 vingerige darm. Lipase splitst vetzuren af van tri-glyceriden zodat een mengsel ontstaat van di- en mono glyceriden, vrije vetzuren en glycerol. (fabrikanten doen extra lecithine in het voer omdat die stof grote vetbollen uiteen slaat in kleine vetbolletjes zodat het makkelijker verteerbaar wordt)
De galbuis mondt ook uit in de 12 vingerige darm. De gal die opgeslagen wordt in de galblaas maar geproduceerd in de lever, wordt via de galbuis in de 12 vingerige darm gestort. De galzure zouten zorgen voor de emulgatie van het vet waardoor het lipase uit de alvleesklier beter kan inwerken. De galzure zouten worden via het bloed terug gegeven aan de lever zodat het opnieuw gebruikt kan worden.
De galkleurstoffen hebben geen functie voor de vertering maar zijn een afbraakproduct van de haemgroep uit haemoglobine van rode bloedcellen.

De bruine kleur van de ontlasting hebben we te danken aan de stoffen biliverdine en bilirubine die in de darm worden omgebouwd tot sterkobiline.
De geur van ontlasting is afkomstig uit de zwavelgroep wat een onderdeel vormt van zwavelhoudende eiwitten.

De laatste groep energieleverende stoffen in de voeding zijn de koolhydraten.
Koolhydraten zijn een verzameling voedingsstoffen die bestaan uit koolstof (C) waterstof (H) en zuurstof (O) Zij worden vooral geleverd door planten. De belangrijkste koolhydraten zijn de pentosen (5 koolstofatomen) en de hexosen (6 koolstofatomen)
Koolhydraten zorgen voor de levering van snel opneembare energie en voor de peristaltiek in de darmen. Het hondenlichaam heeft geen amylase in het speeksel zoals de mens dat heeft. Amylase zorgt ervoor dat de vertering van koolhydraten reeds in de mond begint. Kauw maar eens lang op een stukje brood en je proeft op een bepaald moment de suiker. Voor een hond gaat dit dus niet op en in die zin is het dus niet belangrijk of hij al dan niet op het voedsel kauwt. Uiteraard is het voor de maagsappen makkelijker om in te werken op een klein brokje dan op een grote brok en ook voor het schrapen en schoonhouden van het gebit is het beter als de hond kauwt op zijn brok.

We kunnen koolhydraten in een paar belangrijke groepen verdelen:
Monosacchariden (enkelvoudige suikers) zijn opgebouwd uit 5 of 6 koolstofatomen.
 

Mannose komt niet vrij in de natuur voor maar is altijd onderdeel van een of andere samenstelling.
Glucose  (druivensuiker) is vrijwel de meest belangrijke suiker in het lichaam.
Galactose vormt met glucose melksuiker. Is belangrijk voor het jonge dier.
Fructose  (vruchtensuiker) doet ondermeer dienst als voedselbron voor sperma.

Disacchariden (koppeling van 2 monosacchariden)

Sucrose  (saccharose) (Rietsuiker of bietsuiker) wordt gesplitst in glucose en fructose.
Maltose  (moutsuiker) komt in de vrije natuur nauwelijks voor. Komt bij de vertering van zetmeel vrij. Onder invloed van het enzym maltase ontstaan er 2 glucose moleculen.
Lactose  (melksuiker) wordt geproduceerd in de melkklieren. In het maagdarmkanaal wordt het opgesplitst in glucose en galactose.
Cellobiose Komt vrij bij de vertering van cellulose. Is niet erg van belang omdat cellulose slecht verteerd wordt door de hond.

Oligosacchariden (3 tot 5 monosacchariden)

Zijn niet belangrijk uit voedingsoogpunt. De omhulsels van (bruine) bonen zijn een grote bron van oligosacchariden. De fructo oligosacchariden (FOS) worden toegevoegd aan het voer omdat ze dienen als receptor voor salmonella bacteriën zodat zij zich niet aan de darmwand hechten maar aan de FOS en zo met de faeces het lichaam verlaten.

Polysacchariden (meervoudige suikers) zijn opgebouwd uit enkele honderden of duizenden monosacchariden aan elkaar gekoppeld.

Zetmeel is een groot complex van vele moleculen glucose. Door het te koken of te verteren valt het uiteen in dextrinen. Als de dextrinen verder wordt gesplitst ontstaat maltose en nog later glucose. (als je lang op brood kauwt proef je suiker)
Glycogeen wordt wel dierlijk zetmeel genoemd. De bouwstenen zijn dezelfde als van zetmeel n.l. glucose. Een klein deel zit in de spieren als energieleverancier. Een ander deel zit in de lever à zorgt ervoor dat de concentratie glucose in het bloed snel op peil kan worden gebracht. Hierbij speelt insuline uit de alvleesklier een belangrijke rol. Bij tekort aan insuline ontstaat suikerziekte.
Cellulose

bestaat ook uit glucose maar heeft daarnaast nog een andere koppeling waardoor het onverteerbaar is voor de hond. Door verhitting of vermaling wordt de celwand stuk gemaakt waardoor het verteerbaar wordt.

De vertering van koolhydraten:
begint voor de mens in de mond maar voor de hond pas in de 12 vingerige darm. Om die reden hebben mensen cariës en honden niet. Dit komt door het gebrek aan amylase in het speeksel dat de koolhydraten omvormt tot suikers. Een hond heeft dus geen suikers in zijn bek. (tenzij hij suikerhoudend eten toegestopt krijgt)

De alvleesklier stort het amylase uit in de 12 vingerige darm. Daar wordt het zetmeel via dextrinen gesplitst in maltose. 
(Bij de kat is de amylase maar minimaal zodat vertering van zetmeel voor de kat veel moeilijker is dan voor de hond.)
 

Onder invloed van insuline, wat door de alvleesklier geproduceerd en afgegeven wordt aan de darm, wordt glucose omgezet tot glycogeen. Dit wordt opgeslagen in de spieren en de lever. Als er onvoldoende insuline aangemaakt wordt spreken we van suikerziekte (diabetes mellitis – mell = honing)

Bij de verbranding van glucose komt koolzuurgas, water en energie vrij.

Lactose wordt verteerd door het enzym lactase. (als dieren ouder worden verdwijnt het lactase waardoor er diarree ontstaat na het nuttigen van lactose, in bijv. gewone melk)

Maltose wordt verteerd door maltase, fructose door fructase  enz.
Proteïnen (eiwitten) worden verteerd door proteasen.
Lipiden (vetten) worden verteerd door lipasen.


Nog enkele wetenswaardigheden.

Men zegt dat rauwe eieren goed zouden zijn voor de vacht. Misschien is dat zo als je de eieren door de vacht smeert. Als je ze te eten geeft aan je hond doet het meer kwaad dan goed.
In rauwe eieren zit het stofje avidine dat het vitamine B2 (biotine, belangrijk voor de huid) afbreekt. De eieren koken geeft een veel betere vertering en het avidine wordt daardoor kapot gemaakt.

In rauwe zoetwatervis en haring zit het antivitamine thiaminase wat het vitamine B1 (Thiamine, belangrijk voor het zenuwstelsel) afbreekt. Katten die veel vis vangen en opeten kunnen verlamd raken door tekorten van het vitamine B1.
Door de vis te koken wordt het thiaminase vernietigd.

Vitamine B6 is belangrijk voor de vorming van arachidonzuur uit linolzuur. Bij tekorten van deze beide vetzuren zal de huid droog en dof worden. Later kunnen vruchtbaarheidsproblemen ontstaan doordat de aanmaak van prostaglandines in het geding komt. (bij anorexia bijvoorbeeld stopt op een bepaald moment de menstruatie)

Vitamine B12 (cobalamine, bevat cobalt) wordt gemaakt in de dikke darm en is belangrijk bij de vorming van de rode bloedkleurstof haemoglobine.

De gevolgen van ernstige wormbesmetting bij pups:

Wormen eten teveel eiwitten waardoor een tekort ontstaat. Met name gebrek aan het eiwit albumine dat in het bloed voorkomt, veroorzaakt oedeem ofwel buikwaterzucht.
(kinderen in ontwikkelingslanden hebben daardoor een dikke buik)
Albumine zorgt samen met in het bloed opgeloste zouten voor het osmotisch evenwicht.
Men spreekt dan wel van wormenbuik, doch de dikke buik is mogelijk niet alleen door wormen veroorzaakt zoals uit bovenstaande blijkt.

Chocolade, druiven en rozijnen: vergif voor de hond!

Chocolade

Rond de feestdagen is er in de winkels altijd een verhoogd aanbod van chocoladeproducten. Zo heb je met Sinterklaas de chocoladeletters en met Pasen de Paaseitjes. Het ligt in onze menselijke aard dat we ons huisdier op deze dagen ook wel eens willen verwennen en in de aard van onze trouwe viervoeters om van deze gelegenheid eens goed te profiteren. Een chocolade eitje is dan echter niet zo'n goed idee.

Chocolade is GIFTIG voor honden. In chocolade zit een stof, theobromine, die giftig is voor honden. De stof wordt door honden minder goed afgebroken en uitgescheiden dan bij mensen. Dit veroorzaakt een verhoging van de stof in het lichaam van de hond, waardoor er vergiftigingsverschijnselen kunnen optreden. Zelfs na herhaalde kleine beetjes kunnen er uiteindelijk vergiftigingsverschijnselen optreden.
De verschijnselen van een chocoladevergiftiging kunnen zijn: nervositeit, rusteloosheid, hartritmestoornissen, misselijkheid, braken, veel drinken, stuiptrekkingen en tremor. Hoge inname van chocolade (de hond die de hele pot chocolade eitjes heeft gevonden en deze op een niet slordige manier naar binnen heeft gewerkt) kan zelfs leiden tot coma en de dood.

Er bestaat geen tegengif voor theobromine, zodat we de vergiftiging hooguit symptomatisch kunnen bestrijden. Als eerste moet je proberen de hond te laten braken. Dit heeft alleen zin als het minder dan 2 uur geleden is dat de hond chocolade heeft gegeten. Dit kan bijvoorbeeld door een theelepel zout achter op de tong te gooien of door de dierenarts een middel te laten injecteren dat het braken opwekt. Daarna kun je Norit® toedienen in een dosis van 2-8 gram per kg lichaamsgewicht. Tegen de stuiptrekkingen kunnen spierontspanners als diazepam gebruikt worden.

De speciale hondenchocolade die in de dierenspeciaalzaak te koop is bevat niet de stof theobromine waarmee dit product wel veilig is voor uw hond.


 

Druiven en rozijnen (bron Dierenmanieren, WHG dierenartsen)

Ofschoon fruit eten bekend staat als 'verstandig snoepen' blijkt niet al het fruit even onschuldig te zijn. Er zijn inmiddels al diverse gevallen bekend van een levensbedreigende vorm van nierfalen na het eten van druiven of rozijnen. (dit zijn gedroogde druiven) Slechts een handjevol druiven of rozijnen kunnen de hond al ernstig ziek maken!

Om welke stof het precies gaat is tot op heden nog niet bekend. Er is onderzocht of het te maken kon hebben met bestrijdingsmiddelen tegen insecten of schimmels maar hier is niets uit gekomen. Een andere oorzaak zou kunnen zijn dat er een hoge concentratie vitamine D of zware metalen zoals lood of zink in de druiven aanwezig zou zijn maar ook die onderzoeken leverden geen verklaring op voor de vergiftigingsverschijnselen. Verder blijkt het niet uit te maken of de druiven uit de winkel of uit de eigen tuin komen. Bekend is dat na het eten van een relatief grote hoeveelheid druiven of rozijnen  altijd een ernstige vorm van nierfalen optreedt die zonder medisch ingrijpen levensbedreigend is.

Symptomen
De eerste symptomen zijn herhaaldelijk braken en hyperactief tot nerveus of geagiteerd gedrag en soms ook diarree. Na ongeveer 24 uur wordt de hond juist heel sloom en suf en kan zelfs extreem slaperig worden. De ademhaling wordt onregelmatig. Daarnaast kan de hond buikpijn krijgen en zal niet meer willen eten of drinken. Er ontstaan uitdrogingsverschijnselen. De urine productie loopt uiteindelijk helemaal teruglopen tot nul, als er niet wordt ingegrepen omdat de nieren uiteindelijk volledig stoppen met normaal functioneren.

Bloedonderzoek geeft duidelijke aanwijzingen voor nierfalen: een verhoogd gehalte aan ureum, een verhoogd kreatinine en verhoogde gehaltes aan calcium en anorganisch fosfaat. Deze bloedwaarden worden gezien vanaf ongeveer 24 uur na het eten van druiven of rozijnen.

Behandeling
Als bekend is dat de hond druiven of rozijnen heeft gegeten moeten we de hond zo snel mogelijk na inname van het fruit laten braken.
Dit kan bijvoorbeeld door een theelepel zout achter op de tong te gooien of door de dierenarts een middel te laten injecteren dat het braken opwekt. Daarna moet er een suspensie van actieve koolstof (norit®) worden toegediend om absorptie van de giftige stoffen zoveel mogelijk tegen te gaan. De hond moet preventief aan een intraveneus infuus gelegd worden gedurende enkele dagen en iedere dag moeten de nierwaarden gemeten worden. Als na drie dagen de nierwaarden nog steeds normaal zijn kun je er van uit gaan dat het gevaar geweken is.
Heeft de hond al vergiftigingsverschijnselen dan kan met een agressief infuusbeleid en medicijnen de urineproductie op gang gehouden worden en de nierfunctie zo goed mogelijk op peil gehouden worden. Soms is het nodig om de patiënt naar een intensive care unit door te sturen.

Terug naar boven

Vlooien

De twee meest voorkomende vlooien zijn de kattenvlo (Ctenocephalides felis) en de hondenvlo (Ctenocephalides canis). Tegenwoordig hebben we overigens vooral te maken met de kattenvlo.
Deze uitwendige parasieten zijn een ware plaag voor uw huisdier. Als een vlo uit de pop komt moet hij binnen twaalf uur een bloedmaaltijd gehad hebben om te overleven. Daarvoor heeft hij het bloed van een hond of kat nodig. Gelukkig voor ons voldoet mensenbloed niet aan de juiste samenstelling voor de voortplanting wat echter niet wil zeggen dat we niet gebeten kunnen worden. Een vlo blijft op zijn gastheer en zal niet gemakkelijk wisselen. Ook het paren gebeurt op het huisdier. Een volwassen vlo kan gemakkelijk 50 eitjes per dag leggen. Dat betekent dat 1 vlo in 3 weken 1050 eitjes legt en 10 vlooien dus 10500 eitjes!

De kleine eitjes vallen uit de vacht en komen overal terecht. Ook wij mensen zijn een grote verspreider. Als een kat of hond op schoot heeft gezeten, plakken de eitjes aan onze kleding. Bij het lopen blijven ze onder schoenen en sokken kleven. Zo verspreiden we de eitjes zelf door het huis en nemen we ze mee als we ergens op visite gaan.

Uit de eitjes komen na 2 tot 21 dagen de larfjes. Zij voeden zich o.a. met de uitwerpselen van de volwassen vlooien, die op de grond zijn gevallen. Larfjes zijn lichtschuw en verstoppen zich daarom op donkere plaatsen. Het larve stadium duurt 2 tot 3 weken waarin de larf twee keer vervelt. De larf bouwt daarna een cocon om zich heen waarin ze zich kan verpoppen. In de popfase is de larve ongevoelig voor weersinvloeden, maar ook voor insecticiden. Het popstadium duurt van 1 tot 2 weken tot wel 1 jaar! De vlo komt uit het cocon als de omstandigheden gunstig zijn. Trillingen, warmte en vochtigheid spelen daarbij een belangrijke rol. Een volwassen vlo leeft enkele dagen tot enkele weken.
Vlooien zijn geen pretje voor de hond of kat. De vlooienbeten geven enorme jeuk en een hevig krabbende en in de vacht bijtend huisdier is het gevolg. Sommige dieren tonen een allergische reactie op de spuug van een vlo die in de huid komt als de vlo bloed zuigt. Meestal begint het met jeuk en kale plekken en / of bultjes boven op de staartbasis. Dit duidt vaak op een vlooienallergie. Deze dieren moeten behandeld worden met een zogenaamde contactinsecticide waarbij de vlo al verlamd wordt nog voor ze bloed zuigt.
Een ander nadeel van vlooien is dat deze lintwormen kunnen veroorzaken. Als de hond besmet is met vlooien, al is het er maar één, dan dien je ook te ontwormen met een wormmiddel die ook de lintworm aanpakt!

Het komt vaak voor dat mensen die op vakantie gaan bij thuiskomst geconfronteerd worden met een vlooienplaag. Tijdens hun afwezigheid hebben de larven zich verpopt in hun cocon. Zij blijven daar wachten tot de ideale omstandigheid zich voor doet. Door de trillingen van onze voetstappen en de verandering van atmosfeer door onze uitgeademde lucht breekt de cocon en springen er plotseling heel veel vlooien rond.

Gelukkig zijn er uitstekende middeltjes die het leven van uw huisdier veraangenamen.
Bij de dierenspeciaalzaak zijn tal van bestrijdingsmiddelen die vlooien en soms ook teken, bestrijden. Onze honden worden gedurende het hele jaar behandeld met Frontline of met Advantix.
 

 

Terug naar boven
 


Teken
 

Teken zijn spinnetjes die over de hele wereld voor komen. De twee meest voorkomende soorten in Nederland zijn de Ixodes Ricinus en de Rhipicephalus sanguineus. Sinds enkele jaren komen we ook de Dermacentor reticularis tegen die oorspronkelijk alleen in tropische gebieden en in de landen rondom de Middelandse zee. Teken komen overal voor en niet alleen in bossen. Een teek heeft een gastheer nodig om te kunnen overleven. Het maakt de teek niet uit of dat een mens, hond, kat of ander dier is. De levenscyclus van een teek duurt ongeveer twee tot drie jaar. In deze periode ontwikkelen ze zich van kleine larven tot nimfen en uiteindelijk tot volwassen teek. Voor elke ontwikkelingsfase is een bloedmaaltijd nodig. Larven, nimfen en teken zijn doorgaans van maart tot eind oktober actief maar gebleken is dat de dermacentorteek voornamelijk actief is tussen september en april.

De meest voorkomende teek in Nederland, de Ixodes ricinus is vooral bekend door het overbrengen van de bacterie Borrelia bugdorferi die bij mensen en bij honden de ziekte van Lyme kan veroorzaken. Bij mensen ís het soms lastig om de juiste diagnose te stellen. Veel mensen merken niet dat ze gebeten zijn door een teek en krijgen pas later klachten. Bloedonderzoek biedt niet altijd uitsluitsel omdat pas na 8 tot 12 weken na de beet bepaalde stoffen die het bloed aanmaakt kunnen worden aangetoond en die bovendien niet bij iedereen voldoende aanwezig zijn. Veel mensen krijgen de diagnose ME, MS, Fibromylagie of Reuma. De klachten die mensen hebben kunnen nogal variëren: reumatische klachten, vermoeidheid, concentratiestoornissen, verwardheid, hartritmestoornissen, verlamming van ledematen, tintelingen, stekende pijnen, zenuw pijnen, oor suizen en dubbelzien, kortom, een heel breed scala aan symptomen. De allereerste verschijnselen binnen twee weken na de tekenbeet kunnen griepachtige verschijnselen, opgezette klieren en koorts zijn. Sommige mensen krijgen zelfs binnen twee weken al gezichtsverlamming en uitval van bepaalde ledematen.
De ziekte van Lyme kan behandeld worden met anti biotica echter, hoe langer de ziekte aanwezig is in het lichaam hoe langer de behandeling duurt.
Bij honden manifesteert de ziekte van Lyme zich over het algemeen eerst als een rode ringvormige plek op de plaats van de beet. Daarnaast kunnen lusteloosheid, koorts, gewrichtsproblemen, kreupelheid en soms in een later stadium nierproblemen optreden. De behandeling bestaat net als bij mensen uit anti biotica.

Voor de hond vormt de dermacentor reticularis teek een zeer ernstige bedreiging. Deze teek brengt de ziekte babesiosis Canis over die de rode bloedlichaampjes aanvalt en vernietigd. De symptomen zijn bloed plassen, bruinige urine, geelzucht en lusteloosheid vaak gepaard gaand met hoge koorts. Zonder tijdig ingrijpen is de ziekte levensbedreigend. Bij de mens kan Babesiosis malaria-achtige klachten geven.


 

Wormen    

Wormen zijn de meest voorkomende inwendige parasieten bij honden.
Je kunt de wormen in twee grote orden verdelen: de platte wormen waarvan de lintworm (de cestoda) de bekendste is en de ronde wormen (de Nematoda) waartoe de spoelwormen, de haak- of mijnwormen en de hartworm behoren.

 

 Lintwormen

Er zijn verschillende soorten lintwormen die allen een specifieke "tussengastheer" hebben. De meest voorkomende bij de hond is de Dipylidium caninum die als tussengastheer de vlo heeft.
Een lintworm heeft een kop met daarachter veel segmenten, ook wel geledingen genoemd. De lintworm is tweeslachtig en kan zichzelf dus bevruchten. De ei productie is ettelijke tientallen miljoenen groot. De oudste segmenten zijn bijna geheel gevuld met rijpe eitjes.

de cyclus van een lintworm

Deze segmenten laten los en worden met de ontlasting uitgedreven. Ze drogen onder invloed van lucht uit en barsten dan open waardoor de eitjes ver in het rond slingeren. De eitjes worden opgenomen door een tussengastheer, zoals bijvoorbeeld een vlo, haas, konijn enzovoort, afhankelijk van welk beest de tussengastheer is. In de maag van de tussengastheer komt uit het ei een larfje tevoorschijn, dat zich met behulp van scherpe haakjes door de darmwand boort en zich verplaatst naar de spieren, de lever, de longen of andere organen. Ter plekke aangekomen kapselt het larfje zich in en groeit uit tot een zogenaamde blaasworm. In deze blaas ontwikkelt de larve zich verder tot jonge lintworm.

Wanneer de hond de blaasworm binnenkrijgt, door het opeten van een vlo of het opeten van slachtafval van andere tussengastheren, komt de lintworm uit zijn blaas. De jonge lintworm bestaat alleen nog maar uit een kop maar als snel komen de eerste segmenten, tot de uiteindelijke lengte wordt bereikt. Met de kop boort de lintworm zich vast in de darmwand van de gastheer, de hond.
Tegen lintworm bouwt de hond geen afweerstoffen op en dus moet men ontwormen met wormmiddelen.
Let wel, niet alle wormmiddelen zijn effectief tegen lintworm! Mansonil kauwtabletten en Exil No Worm plus, die speciaal geschikt is voor jonge dieren werken niet tegen lintworm.

Een lintwormbesmetting is niet altijd zichtbaar. Soms schuurt de hond met zijn achterste over de grond, het zogenaamde "sleetje rijden". Soms komt het voor dat er levende wormen in de vacht zitten en soms zie je de wormen in de ontlasting in de vorm van rijstkorreltjes.

Als de hond besmet is met lintwormen dien je ook tegen vlooien te behandelen. Zowel de hond als de omgeving moeten met speciale vlooienmiddelen vlovrij gemaakt worden. Doe je dat niet dan heeft het behandelen tegen lintworm weinig zin omdat de hond gemakkelijk opnieuw geïnfecteerd kan raken door met lintworm besmette vlooien.

Lintwormen zijn lange platte slierten die in segmenten verdeeld zijn.
De segmenten zien eruit als rijstkorreltjes

 Spoelwormen

 

Spoelwormen zijn lange melkwitte slierten die lijken op spaghetti. Een vrouwtje legt per dag enkele honderdduizenden eitjes met een totaal van ruim 80 miljoen! Ze bevinden zich vooral in de tweede helft van de dunne darm. Soms verplaatsen ze zich. Ze kunnen gevaarlijk zijn als ze de galbuizen verstoppen door hun aanwezigheid. Soms komen de wormen met de ontlasting of met braaksel naar buiten. De eieren komen met de ontlasting naar buiten en rijpen buiten verder. De eitjes worden door de hond opgenomen door het eten van besmette prooidieren, door het eten van ontlasting of als de hond ergens ingerold heeft en zich later gaat wassen. In de darmen komen de larven tevoorschijn.

Er zijn twee soorten spoelwormen: de Toxascaris Leonina waarvan de larven holletjes maken in de darmwand en daar blijven zitten. Zij vervellen een aantal keren tot ze volwassen zijn geworden waarna ze zich kunnen voortplanten.
De Toxocara Canis larven doorboren de darmwand en beginnen een trektocht door het lichaam. Via de poortader komen ze in de lever en vandaar gaan ze via het bloed naar de longen. In de longen doorboren ze het longweefsel en kruipen dan in de luchtpijp omhoog. De hond slikt de larven opnieuw in en zo komen ze opnieuw in de darmen waar de larve uitgroeit tot een volwassen worm die weer eitjes gaat produceren. Een hond is nooit vrij van spoelwormen! Toch komen bij volwassen honden niet vaak spoelwormen voor omdat het lichaam in staat is om afweerstoffen te produceren die de larve remt in zijn groei naar volwassenheid. De larven blijven tijdens hun trektocht door het lichaam steken en kapselen zich in. Bij drachtige teven daalt in de loop van de zesde week de afweer en kunnen de larven dus hun trektocht voort zetten. Een enkeling zal alsnog via de longen en de luchtpijp in het maagdarmkanaal komen maar het grootste deel trekt via de placenta naar de foetus. Daar kapselen ze zich nog even in maar direct na de geboorte groeien ze door en als de pup ongeveer drie weken is produceren de dan volwassen spoelwormen de eerste eieren. Daarom moeten pups op die leeftijd voor het eerst ontwormd worden
.

Een besmetting met spoelwormen kan gevaarlijk zijn voor kleine kinderen. Zij kunnen gemakkelijk de eitjes opnemen. De larve kapselt zich vooral in in de lever en komt niet ver in ontwikkeling. Zij kunnen zich echter ook in het netvlies inkapselen waardoor blindheid kan ontstaan. De hond kan bij ernstige wormbesmetting bloedarmoede oplopen waardoor hij lusteloos wordt. Ook een wisselende eetlust kan een symptoom zijn dat er sprake is van een spoelworminfectie.
Spoelwormen kunnen eenvoudig bestreden worden met wormmiddelen. Een hond kan een natuurlijke immuniteit opbouwen tegen spoelwormen maar het is desalniettemin goed om minimaal 2 keer per jaar te ontwormen. Bij teven is het goed om dat direct naar de loopse periode te doen.
Een drachtige teef kan het best in de laatste periode van de dracht ontwormd worden. Daarna worden de moederhond en de pups met twee weken, vier weken, zes weken en acht weken ontwormd. De nieuwe baasjes moeten de pup elke maand ontwormen tot de hond een half jaar is. Vrijwel alle wormmiddelen bestrijden de spoelwormen.

 Haak- of mijnwormen

Deze wormensoort komt in Nederland nog maar zeer zelden voor maar importdieren zijn wel eens besmet. De larven worden via het drinkwater opgenomen maar kunnen ook door de huid heen dringen. Via het bloed belanden zij eerst in de longen waarna zij via de keelholte in het maagdarmkanaal komen. In de darm zuigen zij zich vast en voeden zich met bloed dat zij eerst onstolbaar maken. Als de wormen zich verplaatsen blijven de wondjes bloeden en dat veroorzaakt bloedarmoede en in zeer ernstige gevallen verbloedingen.

 Hartwormen

Hartwormen vertoeven in de bloedvaten en hebben in het hart een voorkeur voor de rechter kamer. In Nederland komen deze wormen nauwelijks voor omdat ze veroorzaakt wordt door bloedzuigende muskieten die in ons land niet voorkomen. Toch kan het wel omdat er steeds vaker honden vanuit warmere landen geïmporteerd worden die wel besmet kunnen zijn.
Volwassen wormen bevinden zich in de slagaders van de longen en bij zware infecties ook in het hart zelf.
Soms kunnen ze doordringen in de grote holle lichaamsader. De vrouwelijke wormen produceren larfjes die in het bloed gaan circuleren en daar wel twee en een halfjaar in leven kunnen blijven.
Wanneer een muskiet bloed zuigt kunnen de larfjes in dit insect terechtkomen en zich binnen twee tot drie weken ontwikkelen tot een larve waarmee weer een ander dier, de gastheer, besmet kan worden via de steeksnuit tijdens een volgende bloedmaaltijd. In het nieuwe slachtoffer ontwikkelt de larve zich onder de huid en in de spieren binnen enkele maanden tot jonge wormen die zich naar de bloedbaan toe bewegen om zo naar de longen en het hart vervoerd te worden. De wormen kunnen wel vijf tot zeven jaar in leven blijven.

Er treden klachten op doordat de wormen beschadigingen veroorzaken aan de wand van het hart en de grote longslagaders. Hierdoor kan er vocht ontstaan in de longen en vergroting van het hart met uiteindelijk tekortschieten van de hartfunctie. 
De ziekte begint sluimerend.
Het uithoudingsvermogen vermindert en er wordt een keertje gehoest. Later treden er ernstigere klachten op, zoals gewichtsverlies, leververgroting, vocht in de buikholte en ademhalingsproblemen.
Bloedarmoede kan het gevolg zijn van beschadiging van rode bloedcellen en nierbeschadiging.
In sommige gevallen kan het dier zonder voorafgaande verschijnselen in shock raken doordat wormen de grote holle ader  bereiken en het hart plotseling tekort gaat schieten in de pompfunctie. In dat geval spreken we van een acuut ziektebeeld.
Een besmetting met hartworm is een taak voor de dierenarts.

Terug naar boven

 

Castratie/Sterilisatie
 

Castratie en sterilisatie

Wanneer kan ik mijn hond laten castreren of steriliseren?

Bij teven spreekt men vaak van sterilisatie doch, er wordt zelden gesteriliseerd maar gecastreerd. Bij sterilisatie worden de eileiders afgebonden. Deze ingreep kan eventueel weer ongedaan gemaakt worden en heeft geen invloed op de hormoonhuishouding. Het wordt zelden of nooit uitgevoerd dus we beperken ons hier tot het castreren waarbij de eileiders en eventueel de baarmoeder verwijderd worden.

Wanneer castreren?
De mening over het tijdstip van castreren  verschilt per dierenarts. Waar de één zegt dat het voor de eerste loopsheid dient te gebeuren, veegt de ander de vloer aan met die mening. In de vakliteratuur wordt enerzijds positief geschreven over vroege castratie terwijl er anderzijds ook over gezondheidsproblemen geschreven wordt na vroege castratie.
Helaas wordt daar door dierenartsen nauwelijks op gewezen.

Reuen
Meestal is het niet nodig om een reu vanuit gezondheids oogpunt te laten castreren. Zeker niet op jonge leeftijd. Castreren op jonge leeftijd lijkt meer nadelen dan voordelen te hebben.

In de vakliteratuur valt hierover het volgende te lezen.

Voordelen:
- het risico op testikelkanker wordt met iets minder dan 1% verkleind.
- het risico op niet aan kanker gerelateerde prostaatproblemen wordt verkleind.
- het risico op peri-anale fistels wordt verkleind.
- het risico op diabetes wordt mogelijk verkleind. (dit is echter nog niet bewezen)

Nadelen:
- verhoogd risico op botkanker bij castratie op jonge leeftijd.
- verhoogd risico op harttumoren.
- verdrievoudigd risico op hypothyroїdie (een aandoening waardoor de schildklier niet voldoende schildklierhormoon kan
  aanmaken)
- verhoogde kans op dementie op latere leeftijd.
- verdrievoudigd risico op vetzucht met alle gevolgen van dien.
- verviervoudigd kans op prostaatkanker.
- verdubbeld risico op kanker van de urinewegen.
- verhoogd risico op schadelijke reacties op vaccinaties.

Soms wordt een reu gecastreerd om gedragsredenen. De hond zou handelbaarder worden en zich minder dominant gedragen als hij gecastreerd is. Het komt inderdaad voor dat een hond dan beter hanteerbaar wordt maar u moet zich dan toch ook afvragen of er geen opvoedkundig probleem aan ten grondslag ligt.

Teven
Bij teven ligt de situatie nog iets ingewikkelder. Het aantal voordelen kan in sommige gevallen groter zijn dan de nadelen. In het algemeen kan worden gesteld dat het voordeel afhangt van de gezondheid en de leeftijd van de teef en het risico op rasgebonden ziektes.

Voordelen:
- aanzienlijke verlaging van het risico op melkkliertumoren mits gecastreerd voor dat de teef 2½ jaar is.
- het risico op baarmoederontsteking wordt praktisch uitgesloten.
- het risico op peri-anale fistels wordt verkleind.
- het heel kleine risico op tumoren van baarmoeder, baarmoederhals en eierstokken wordt uitgesloten.

Nadelen:
- verhoogd risico op botkanker bij castratie voor de eerste loopsheid.
- verhoogd risico op hemangiosarcoma van de milt en sterk verhoogd risico op hemangiosarcoma van het hart. Dit zijn
  vormen van kanker met een zeer slechte prognose.
- verdrievoudigd risisco op hypothyroїdie (een aandoening waardoor de schildklier niet voldoende schildklierhormoon kan
  aanmaken)
- verdrievoudigd risico op vetzucht met alle daaraan gekoppelde gezondheidsproblemen.
- incontinentie bij 4 – 20% van alle teven.
- verhoogd risico op steeds terugkerende ontstekingen aan de urinewegen.
- verhoogd risico op afwijkingen aan de vulva en ontstekingen aan de vulva, vooral bij teven die op zeer jonge leeftijd
  gecastreerd zijn.
- verdubbeld risico op tumoren aan de urinewegen.
- vergroot risico op botafwijkingen.
- vergroot risico op schadelijke reacties op vaccinaties.

In de praktijk blijkt dat er dikwijls ook een vachtverandering optreedt bij met name halflang en langharige rassen maar ook bij rassen met een ruwharige vacht.
Vaak is de vacht niet meer mooi aansluitend omdat de ondervacht blijft groeien. Ruwharige vachten worden zachter waardoor plukken een haast onmogelijke taak wordt. Gecastreerde honden verharen doorgaans meer dan honden die niet gecastreerd zijn. Teven lijken hier meer last van te hebben dan reuen.
Ook kan er als gevolg van de veranderde hormoonhuishouding veranderingen in het gedrag optreden. De teef komt anders over naar reuen en dit kan haar onzeker of angstig maken. Een reu daarentegen kan door andere intacte reuen vervelend benaderd worden waardoor ook hij zich onzeker gaat gedragen.

Helaas is er geen pasklaar advies te geven voor elke hond. U moet zelf de voor- en nadelen goed tegen elkaar afwegen zodat u tot een weloverwogen besluit komt.

Als uw teefje na de loopse periode steeds weer schijndrachtig is dan kunt u haar beter laten castreren. Het risico op melkkliertumoren is dan sterk verhoogd.

Het hele artikel over feiten en fabels van castratie / sterilisatie is gepubliceerd in het blad “ de hondenwereld” jaargang 63 nummer 3, 2008. In dit artikel wordt verder ingegaan op de genoemde gezondheids problemen.

 

 



 

Terug naar boven

Opvoeding van een hond

Een Friese Stabij is een hond die consequent, maar met zachte hand opgevoed moet worden. Als je hem (te) hard aanpakt zal dat een averechtse werking op zijn gedrag hebben. De hond wordt er onzeker en angstig van. Voor de Wetterhoun geldt hetzelfde met dit verschil dat de Wetterhoun niet onzeker of angstig wordt maar wel de handdoek in de ring gooit en je de hele dag geen donder meer met hem kunt beginnen.

Om een hond goed op te voeden zijn er een aantal regels die iedereen in huis goed in acht moeten nemen.

õ Denk als een hond. Wij moeten eerst hond worden om een hond op te voeden en de hond niet vermenselijken. Ga er van uit dat wij de koning zijn en de honden gepeupel.

õ Verlang voor alles een prestatie terug. Als de hond zijn eten krijgt moet hij eerst gaan zitten en wachten tot de baas zegt dat hij mag eten. Ga altijd eerst zelf eten en geef daarna de hond pas zijn eten. Doe de hond in de bench als je zelf gaat eten.

õ Laat de hond liever bij je komen i.p.v zelf naar de hond te gaan om hem te aaien. Negeer de hond als hij uit zichzelf komt en geaaid wil worden. Verliest hij zijn interesse in u, roep hem dan om hem even fijn te knuffelen!

õ Ga nooit direct naar de hond toe als je ’s morgens beneden komt. Negeer hem eerst en laat hem zitten alvorens het deurtje van de bench open te doen. Doet hij dat niet, loop dan gewoon weg en probeer het even later nog eens. Herhaal dit net zo lang tot hij netjes blijft zitten. Hij zal snel in de gaten hebben dat luisteren en geduldig zijn meer opleveren dan hinderlijk tegen het deurtje te duwen. Op die manier voorkom je ook dat de hond gaat blaffen als je zelf weg gaat.

õ Laat de hond zitten voor het aanlijnen en aflijnen. Doet hij dat niet, hang de riem weer weg, het feest gaat even nog niet door. Probeer het later nog eens en herhaal het tot je hem wel rustig aan kunt lijnen zonder dat hij als een gek door het huis rent.

õ Ga niet voor de hond opzij, de hond moet voor jou opzij gaan. Als hij in het looppad ligt zal hij aan de kant moeten gaan als je er door wilt.

õ Ga altijd zelf als eerste door een deur of een nauwe opening.

õ Doe als hij aan het eten is je hand in de voerbak met daarin een lekkernij. Laat dat er in vallen. De hond leert dat een hand in zijn bak een extra verrassing oplevert.

õ Geef de hond geen commando "kom voor" als hij juist lekker aan het spelen is met andere honden. Hij komt toch niet. Wacht op het moment dat hij even staat te kijken en roep hem dan met hoge stem bij je met een beloning in je hand. Lijn hem dan niet aan maar laat hem weer lekker spelen. Het moment van aanlijnen moet elke keer verschillend zijn. De hond leert dat het leuk is om te komen want hij krijgt een beloning en hij mag daarna vaak weer spelen.

õ Geef korte commando’s en maar één keer.

õ De hond mag nooit tegen ons opspringen. Het gedrag is af te leren door geen oogcontact te maken en voor lantarenpaal gaan spelen. Je negeert de hond dus volkomen. Het tegen je opspringen heeft niets te maken met verwelkomen maar met hoger komen dan de baas.
 

õ Als de hond met een speeltje in zijn bek bij je komt, ga er dan soms wel en soms niet op in. Als je het altijd negeert krijg je een hond die nooit meer wil spelen en dat is uiteraard jammer. Hij moet echter wel leren dat het niet altijd feest is als hij wil spelen.

õ De hond is de laagste in onze roedel. Door middel van een duidelijke hiërarchie wordt hem dat steeds duidelijk gemaakt. Hij accepteert zijn plaats en heeft rust. Is er echter onduidelijkheid dan zal hij daar dankbaar gebruik van maken en steeds een treetje hoger proberen te komen. Dit zijn niet de fijnste honden in huis!
 

gedragsregels voor kinderen

Een kind tot ongeveer 12 jaar wordt door de hond niet als ranghogere beschouwd. De hond bezet de laagste plaats in de rangorde, maar kleine kinderen zijn lichamelijk noch geestelijk in staat de hond op deze lage rangorde te wijzen. Kinderen staan slechts hoger in rangorde dankzij de aanwezigheid van de roedelleiders, u dus, de ouders.

õ Kinderen kunnen niet de verantwoordelijkheid over een hond dragen. Laat een kind nooit alleen met een hond wandelen.

õ Laat een kind nooit alleen met een hond in huis ook al is de hond nog zo lief!

õ Kinderen mogen de hond nooit storen als hij eet of drinkt of slaapt.

õ Laat een kind geen commando’s geven aan een hond of slechts onder toezicht van een volwassene.

õ Kinderen moeten geen machtspelletjes met de hond spelen. Een apporteerspelletje onder toezicht is prima.

õ Kinderen mogen niet rennen of gillen in de buurt van een hond. De handen moeten ze laag houden omdat de hond anders denkt dat er iets uit te halen valt.

õ Kinderen mogen een aangelijnde hond alleen dan aaien, wanneer ze toestemming hebben gevraagd, éérst aan de volwassene die het kind begeleidt, dán aan de eigenaar/begeleider van de hond. Ze mogen de hond alleen onder zijn oor kriebelen of aan de zijkanten aaien, richting staart. Een niet-aangelijnde hond mogen ze aaien, wanneer ze eerst toestemming hebben, zoals bij de aangelijnde hond, en dan alleen wanneer de hond uit zichzelf naar het kind toekomt

õ Een kind dat geen interesse heeft in een hond kan de hond het best negeren.

Laat kleine kinderen nooit alleen met honden, ook niet voor even!
 

De hond moet uiteraard leren de aanwezigheid van (kleine) kinderen te accepteren. Dit kan alleen als men de hond tegen kinderen in bescherming neemt en daarnaast de hond duidelijk maakt wat wel mag met kinderen en wat absoluut taboe is.

 

Maar ook de kinderen moeten gelijk grenzen gesteld worden. Een hond is geen speelgoedbeest, er mag niet aan gerukt en getrokken worden, er mag niet in geprikt worden en er mag zeker niet geslagen worden. Ook mag het kind de hond niet in het rond commanderen en tegen hem schreeuwen of zijn speelgoed afpakken.

 

U, als ouder, moet het kind leren nooit naar de hond toe te gaan, zeker niet als de hond ligt te slapen, of op zijn plaats ligt. Dit verbod geldt trouwens voor alle honden. De meeste ongelukken gebeuren als kinderen honden benaderen die daar op dat moment niet van gediend zijn.

 

De hond moet op zijn beurt leren, dat er niet tegen kinderen opgesprongen mag worden, dat ze niet omver gelopen mogen worden en dat er geen speelgoed van de kinderen afgepakt mag worden.

 

Als kinderen ouder worden en meer inzicht krijgen in het gedrag van de hond, kan langzaam begonnen worden het kind een plaats in de rangorde te bezorgen die hoger is dan die van de hond. Onder begeleiding van de ouders kan het kind allerlei rangbevestigende handelingen uitvoeren, zoals lichte gehoorzaamheidsoefeningen.



Overzicht van wat u wel en wat u niet kunt doen

 

NIET DOEN

WEL DOEN

De hond wegsturen als het kind aandacht krijgt

   

Geef de hond aandacht of lekkers in het bijzijn van het kind

Boos worden op de hond als hij interesse toont in een kind

De hond verband laten leggen tussen 'kind' en 'leuk', door hem bijvoorbeeld elke keer iets lekkers te geven als u gaat voeden of verschonen, of door hem mee uit te nemen met de kinderwagen

 

De hond pas leren op zijn plaats (mand, bench) te blijven als het kind al in huis is

De hond al tijdens de zwangerschap een eigen veilige plek geven, en rustig leren daar op commando naar toe te gaan en te blijven, liefst met een lekker botje

 

Het kind naar de hond toe laten lopen of kruipen, zéker niet als die in zijn mand ligt

 

De hond naar het kind toe laten komen om iets leuks te gaan doen

Het kind zich laten bemoeien met een hond die aan het eten is, of een speeltje of kluif heeft

Het (iets oudere) kind de hond uit de hand laten voeren, tenzij de hond "baknijd" (grommen bij de voerbak) heeft of erg gespannen is tijdens het eten

 

Kinderen hard laten schreeuwen en rennen in de buurt van de hond

 

Kinderen met de hond laten spelen door bijv. een zoekspelletje, waarbij het kind een brokje mag verstoppen, dat de hond moet zoeken. Beiden vinden het prachtig, voor de hond is het niet bedreigend, en kind en hond krijgen een betere band

 

Kinderen over de grond laten kruipen in de buurt van de hond

 

Het kind de hond laten aanstaren (dit vindt een hond bedreigend)

Het kind leren langs de hond heen te kijken

De kinderen alleen met de hond de straat op sturen

De hond en de kinderen samen mee uit nemen voor een leuke wandeling

Het kind over de nek van de hond laten hangen

Het kind leren de hond rustig over de borst te aaien

Het kind de hond opdrachten laten geven

Zorgen voor een leuk spelletje met kind en hond

Een kind een vreemde hond laten aaien

 

 

Leer uw kind 3 regels voor het aaien van honden:

  1. Eerst aan je moeder of vader vragen (en als die er niet is: niet aaien!)

  2. Dan aan de baas van de hond vragen (en als die er niet is: niet aaien!)

  3. Als je van allebei mag aaien, steek voorzichtig je hand uit en kijk of de hond naar je toekomt. Zo niet, dan heeft hij er geen zin in en moet je hem met rust laten. Zo ja, kriebel hem dan rustig onder zijn kin of op zijn borst. Aai hem niet over zijn kop, de meeste honden vinden dat helemaal niet leuk

 

Een kind bang maken voor honden

Leer een kind om te gaan met honden

Het kind laten gillen of wegrennen als er een hond aankomt (hoe harder het gilt of rent, hoe interessanter een hond het kind zal vinden)

 

Leer een (bang) kind rustig stil te staan als er een hond aankomt, en de andere kant op te kijken

Het kind met zijn handjes naar de hond laten slaan, of de handjes in de lucht laten steken

 

 

 

Leer een kind om de handjes in de zak of op de rug te houden (de meeste honden weten uit ervaring dat er in handen vaak iets lekkers zit, en zullen dus juist daar op afgaan. Bij handjes op de rug zal een hond er misschien even aan ruiken, maar al snel zijn interesse verliezen)

Ofschoon een Stabij in het algemeen als een zeer kindvriendelijke hond wordt beschouwd is het toch belangrijk dat je de gedragsregels van een hond kent. Een hond wordt voor het grootste deel gevormd door zijn baas.

Kijk ook eens naar het artikel over benchtraining of op de website van het LICG www.licg.nl


Terug naar boven

Start Over ons Hoe het begon Onze honden Gefokte nestjes Rasstandaard Verzorging Jachttraining Clubmatches Foto's Links Gastenboek

Zonder toestemming van de webmaster is het niet toegestaan teksten en/of foto's van deze website te gebruiken. Bij problemen met of vragen over deze website kunt u contact opnemen met Brigitte.
Laatst bijgewerkt: 15 januari 2012